Page 23 - Code VVR 2017-2018
P. 23
Deel 1 – De Code VVR Richtlijnen HOOFDSTUK 3 Richtlijnen: Rolstoelgebruikers en begeleiders 3.0 Inleiding Dit hoofdstuk is bestemd voor rolstoelgebruikers en diegenen die hen tijdens het vervoer begeleiden. Het beschrijft de richtlijnen die rolstoelgebruikers moeten navolgen om hun vervoer veilig te maken. Soms is de noodzaak voor begeleiding aangegeven in de vervoersovereenkomst en mag er zonder begeleiding geen vervoer plaatsvinden. Hulpverleners begeleiden rolstoelgebruikers bij het vervoer wanneer de chauffeur persoonlijk de benodigde hulp niet kan of mag verlenen. Er zijn in principe twee typen begeleiders: • Begeleiders die rolstoelgebruikers persoonlijk kennen en deze individueel of per groepje begeleiden. Dat kunnen zijn: o hulpverleners in dienst van zorginstellingen; o vrijwilligers bij zorginstellingen of vrijwilligersorganisaties; o partners, ouders, kinderen, wettelijk vertegenwoordigers, vrienden of derden. • Begeleiders die optreden als “voertuigbegeleider” en de rolstoelgebruikers niet persoonlijk kennen. Deze begeleiders hebben voornamelijk de taak om in het voertuig extra ogen en oren voor de chauffeur te zijn zodat deze bij onverwacht of ongewenst gedrag van één of meer rolstoelgebruikers tijdens de rit zijn aandacht bij het verkeer kan houden. 3.1 Richtlijnen voor rolstoelgebruikers Rolstoelgebruikers kunnen aan hun eigen veiligheid bijdragen door op de hoogte te zijn van de relevante wettelijke verplichtingen, veiligheidsvoorschriften en de gebruiksmogelijkheden van hun rolstoel. 3.1.1 Keuze rolstoel en consequenties Om zittend in een rolstoel veilig vervoerd te kunnen worden, moet een rolstoelgebruiker beschikken over een “veilig vervoerbare” rolstoel of tenminste een “vastzetbare” rolstoel. Een beschrijving van deze rolstoeltypen staat in Paragraaf 2.15 “Typering van rolstoelen naar hun vervoerbaarheid”. Bij het “aanmeten” van de rolstoel voor de gebruiker moet worden nagegaan of de rolstoelgebruiker de rolstoel mogelijk ook gaat gebruiken als vervangende zitplaats in een rolstoel toegankelijk voertuig (auto of taxi-bus) en of dit voor hem een geschikte vorm van vervoer is. Als dit de verwachting is, moet primair gekozen worden voor een “veilig vervoerbare” rolstoel (zie paragraaf 2.15). Alleen als om individuele functionele redenen voor de rolstoelgebruiker geen “veilig vervoerbare” rolstoel mogelijk is, moet tenminste een “vastzetbare” rolstoel gekozen worden. 3.1.2 Op de hoogte zijn van veiligheidsaspecten De rolstoelinzittende en of de persoonlijk begeleider moet weten dat zowel de rolstoel als de inzittende op de voorgeschreven wijze moet worden vastgezet tijdens het vervoer. De chauffeur is daarvoor volgens de wet (eind)verantwoordelijk. Ook moet bekend zijn dat men over tenminste een “vastzetbare” rolstoel moet beschikken. Als de rolstoelgebruiker beschikt over een “niet of niet verantwoord vastzetbare” rolstoel, moet hij accepteren dat hij omwille van de veiligheid daarin niet wordt vervoerd. © Ing. A.W.Peters Uitgave 2017 / 2018 23
   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28