Page 19 - Code VVR 2017-2018
P. 19
Deel 1 – De Code VVR Begrippen, stellingen en definities 2.11 Veiligheidsketen Onder de “veiligheidsketen” wordt verstaan het samenstel van materialen en personen die met elkaar zorg dragen voor de noodzakelijke veiligheid. Met betrekking tot het veilige vervoer van rolstoelgebruikers zijn dat: • Het voertuig. Het voertuig dient aan alle wettelijke eisen te voldoen en is sedert september 2008 voorzien van vastzetsystemen die voldoen aan de NEN-ISO norm 10542 met bijbehorende 3-punts veiligheidsgordels. • De rolstoel. De rolstoel dient eenvoudig en doelmatig vastzetbaar te zijn en de constructie mag de vrije loop van de veiligheidsgordel niet belemmeren. Als de rolstoel tevens voldoet aan de eisen die gesteld zijn in de NEN-ISO 7176-19 norm is deze bewezen voldoende sterk om de bij een (genormeerde) botsing de optredende krachten te kunnen weerstaan. • De chauffeur. De chauffeur dient voldoende vakkundig te zijn om correct met het voertuig, de veiligheidssystemen en de rolstoelgebruiker om te gaan. • De rolstoelgebruiker. De rolstoelgebruiker of zijn (persoonlijk) begeleider dient op de hoogte te zijn van de aspecten die belangrijk zijn voor de veiligheid en een rolstoel te gebruiken die aan de gestelde veiligheidseisen voldoet. 2.12 Veilig vervoeren (Zie ook bijlagen B.1 en B.2) Van “veilig vervoeren” is sprake wanneer alle onderdelen in de veiligheidsketen goed op elkaar aansluiten, aan eventueel gestelde normen voldoen en de chauffeur daar op vakkundige wijze mee omgaat. Veilig vervoeren betekent echter niet dat er een absolute garantie bestaat op uitblijven van letsel onder alle omstandigheden ! De huidige veiligheidsmiddelen zijn vooral gericht op voorwaartse impact bij snelheden tot circa 50 km/h. Ongevallen op hogere snelheden, ongevallen met zijdelingse of achterwaartse impact en of andere omstandigheden kunnen desondanks tot letsel leiden. Ook het gebruik van oudere of bijzondere modellen rolstoelen, die niet volgens de recente NEN-ISO normen getest zijn, kan risico verhogend zijn. In die gevallen bestaat namelijk onzekerheid over de crashbestendigheid. Die onzekerheid hoeft echter niet onvermijdelijk te leiden tot het weigeren van vervoer. Als deze rolstoelen goed “vastzetbaar” zijn, of anders gezegd, goed in de veiligheidsketen passen ligt het onzekerheidsrisico binnen aanvaardbare grenzen. Wanneer eventueel vervanging van een “vastzetbare” rolstoel door een “veilig vervoerbare” rolstoel mogelijk is (Paragraaf 2.15, Typering rolstoelen... type a), dan geniet dat natuurlijk de voorkeur. 2.13 Vrije gordelloop (Zie ook de toelichting in bijlage B.5.4.) Een veiligheidsgordel kan alleen goede bescherming bieden als deze op de juiste plaatsen het lichaam ondersteunt en goed aansluit. Er is slechts sprake van een “vrije gordelloop” als de veiligheidsgordel niet door onderdelen van de rolstoel of andere obstakels belemmerd wordt bij het aanbrengen en dragen ervan. 2.14 Speciale veiligheidsgordel Rolstoeltoegankelijke voertuigen van na september 2008 zijn (wettelijk verplicht) uitgerust met standaard driepuntsgordels op de rolstoelplaatsen. In uitzonderlijke situaties waarin de pasvorm van de standaardgordel de veiligheid van de rolstoelinzittende niet waarborgt, of mogelijk zelfs gevaarlijk is, mag een speciale gordel worden gebruikt die “deel uitmaakt van het vastzetsysteem” (RVV, art. 59 lid 4b). © Ing. A.W.Peters Uitgave 2017 / 2018 19
   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24