Page 24 - Code VVR 2017-2018
P. 24
Richtlijnen Deel 1 – De Code VVR 3.1.3 Mogelijkheden en beperkingen Tijdens het vervoeren van rolstoelgebruikers is het van belang dat hun (fysieke) beperkingen voor chauffeurs en overige passagiers niet onevenredig hinderlijk of onoverkomelijk zijn. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid gedurende het vervoer. Daartoe gelden de volgende voorwaarden: De rolstoelgebruiker (of zijn vertegenwoordiger) moet zich realiseren dat hij alleen met een “veilig vervoerbare” of een tenminste “vastzetbare” rolstoel vervoerd kan worden. De rolstoelgebruiker (of zijn persoonlijk begeleider) moet kunnen aangeven wie hij is en wat zijn reisbestemming is. Zo nodig kan hierbij een communicatiehulpmiddel gebruikt worden. Niet begeleide rolstoelgebruikers dienen voldoende veiligheids- en normbesef te hebben voor de gekozen vorm van vervoer. De rolstoelgebruiker of diens persoonlijk begeleider moet aangeven of er functiestoornissen zijn die tijdens het vastzetten van de rolstoel of de rolstoelinzittende van belang zijn. Van de chauffeur mag gepast (rij)gedrag worden verwacht. De rolstoelinzittende moet, eventueel met hulp van rolstoelaanpassingen, over voldoende zitstabiliteit beschikken om zelfstandig te kunnen blijven zitten. Als de rolstoelinzittende een zodanig afwijkende lichaamshouding heeft dat de standaard aanwezige veiligheidsgordel niet op de juiste wijze gedragen kan worden, mag deze slechts vervoerd worden met gebruikmaking van een speciale veiligheidsgordel die deel uit maakt van het vastzetsysteem (zie ook bijlage A.7.2). Wanneer de rolstoelgebruiker op prikkels van buitenaf reageert met heftige, extreme bewegingen, kunnen speciale maatregelen noodzakelijk zijn. Denk daarbij aan extra begeleiding, extra bescherming, afscheiden van medepassagiers, en dergelijke. Lichamelijke beperkingen, zoals incontinentie en het gebruik van opvangmiddelen moet worden aangegeven voor zover dit van belang is voor het gebruik van bepaalde vastzetsystemen en of veiligheidsgordels, of wanneer dit hinder oplevert voor medepassagiers. Wanneer dit leidt tot overlast voor de chauffeur of medepassagiers zal vervoer geweigerd moeten worden. 3.2 Richtlijnen voor begeleiders Van persoonlijk hulpverleners die rolstoelgebruikers begeleiden bij het vervoer wordt verwacht dat zij: • Op de hoogte zijn van de richtlijnen die gelden voor het vervoer van rolstoelgebruikers. • Zo veel mogelijk de opvattingen van rolstoelgebruikers respecteren. • Over de medische beperkingen van rolstoelgebruikers de geheimhoudingsplicht in acht nemen tegenover derden, tenzij de informatie van direct belang is voor het vervoer. • De belangen van de rolstoelgebruiker behartigen zonder de belangen van de chauffeur of de verkeersveiligheid te negeren; bij groepsvervoer dient er voldoende overwicht op de groepsleden te zijn om ongewenst gedrag te voorkomen. • Beschikken over voldoende hulpmiddelen en kennis, en deze kunnen toepassen om de rolstoelgebruiker tijdens het vervoer behulpzaam te zijn. Van voertuigbegeleiders wordt verwacht dat zij: • Op de hoogte zijn van de richtlijnen die gelden voor het vervoer van rolstoelgebruikers. • Tijdens de rit de rolstoelgebruikers in de gaten houden. • De chauffeur tijdig waarschuwt als er sprake is van ongewenste situaties in het voertuig. • De rolstoelgebruikers met respect en toewijding tegemoet treden, ongeacht diens sociale en economische status, opleiding, cultuur, ras, sekse, levensovertuiging, leeftijd of handicap. 24 Uitgave 2017 / 2018 © Ing. A.W.Peters
   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29