Page 30 - Code VVR 2017-2018
P. 30
Richtlijnen Deel 1 – De Code VVR 5.1.3 Hoofdsteunen Een hoofdsteun, van het juiste materiaal met correcte afmetingen en op de goede hoogte afgesteld, kan bij aanrijdingen nekletsel of erger voorkomen. Voorwaarde is dat de hoofdsteun voldoende stevig aan de rolstoel of het voertuig bevestigd is zodat deze tijdens een ongeval niet los kan raken. Bovendien moeten de instelpunten de krachten van een botsing kunnen doorstaan. De hoofdsteun zelf mag niet naar voren kunnen kantelen tijdens een botsing. De praktijk leert dat veel rolstoelen niet geschikt zijn om er verantwoord een hoofdsteun op te bevestigen. Een echt veilige oplossing van dit probleem is niet altijd mogelijk. 5.1.4 Leidraad met betrekking tot hoofdsteunen • Vermijd hoofdsteunen met scherpe delen aan de achterzijde. • Hoofdsteunen die meervoudig instelbaar, wegklapbaar of -draaibaar zijn moeten afdoende geblokkeerd kunnen worden tijdens het vervoer. • Als het voertuig (bijv. rolstoeltaxi) is uitgerust met een externe hoofdsteun die goed afgesteld kan worden op de passagier verdient het gebruik daarvan de voorkeur. • Als een goede hoofdsteun niet mogelijk is, is in de meeste gevallen géén hoofdsteun minder risicovol dan een onveilige hoofdsteun. 5.1.5 Houding-ondersteuningsgordel en of veiligheidsgordel Als de rolstoel goed kan worden vastgezet, maar de inzittende niet, is veilig vervoer niet mogelijk. Een rolstoelgebruiker moet in een voertuig gebruik maken van de (standaard) driepunts veiligheidsgordel van het voertuig of een speciale veiligheidsgordel (RVV art.59, lid 4). Een speciale veiligheidsgordel moet in ieder geval aan het vastzetsysteem of aan de vloer van het voertuig vastzitten. Vooral in oudere voertuigen en of bij passagiers in bijzondere lichaamshoudingen komt de noodzaak voor een speciale veiligheidsgordel het meeste voor. Een reeds in de rolstoel aanwezige gordel, die bedoeld is als houdingsondersteuning, is in het algemeen ongeschikt als veiligheidsgordel (!). Daarom moet tijdens het vervoer buiten de aanwezige houdingondersteuningsgordel ook een goedgekeurde veiligheidsgordel gedragen worden Een veiligheidsgordel dient onder een voorgeschreven hoek en sluitend op de bovenbenen geplaatst kunnen worden. Een rolstoel moet daar de ruimte voor bieden. De veiligheidsgordel mag niet over scherpe delen of de armleuningen lopen. Er moet tevens ter hoogte van de heup voldoende ruimte zijn om de gordelsluitingen te kunnen bedienen. Rolstoelen met vaste armleuningen en dichte zijkanten zijn niet geschikt voor gebruik van een veiligheidsgordel en zijn dan dus “niet of niet verantwoord vastzetbaar”. 5.1.6 Werkblad (met midden-besturing) Een werkblad op een rolstoel geeft bij een botsing tijdens het vervoer grote risico’s. Een werkblad kan bij plotseling (zeer) hard remmen of een botsing ernstig (inwendig) letsel veroorzaken. Het afnemen van een werkblad tijdens het vervoer is daarom noodzakelijk. De meeste werkbladen bieden die mogelijkheid. In uitzonderingsgevallen is de aanwezigheid van een werkblad echter onontkoombaar, ook tijdens het vervoer. Bij elektrische rolstoelen kan het werkblad voorzien zijn van een besturingskast of communicatieapparatuur en is het afnemen van het blad problematisch. Hoewel er verschillende situaties voorkomen en verschillende oplossingen denkbaar zijn, is de beste gedragslijn om dan extra aandacht te geven aan de juiste afstelling van het heupgedeelte van de veiligheidsgordel en vervolgens het werkblad zoveel mogelijk naar voren te trekken. Zo ontstaat er ruimte tussen de rand van het werkblad en de buik. Bij een botsing kan die ruimte helpen voorkomen dat de rand van het werkblad buikletsel veroorzaakt. 5.1.7 Hulpstukken aan de rolstoel Voorgaande voorstellen zijn gebaseerd op rolstoelen in standaarduitvoering. Als een rolstoel bijvoorbeeld wordt gebruikt in combinatie met een aankoppelbare aandrijfunit, dan dient deze apart van de rolstoel vervoerd te worden. “Losse” hulpstukken moeten worden afgenomen en veilig worden opgeborgen of vergrendeld. Elementen voor houdingsondersteuning, zoals pelottes, (abductie)klossen en zijkussens, kunnen ook letsel veroorzaken bij botsingen. Echter, houdingscorrectie heeft meestal prioriteit, waardoor soms optimale veiligheidsmaatregelen niet te realiseren zijn. Het kan in sommige gevallen echter betekenen (denk bijvoorbeeld aan niet goed bevestigde zuurstofflessen) dat wanneer hulpstukken los kunnen raken bij een botsing, vervoer geweigerd moet worden wegens het gevaar voor de overige passagiers. 30 Uitgave 2017 / 2018 © Ing. A.W.Peters
   25   26   27   28   29   30   31   32   33   34   35